Publicitad D▼
aankomen (v.)
aanbelanden, aanlanden, afhangen, afhangen van, afhankelijk zijn van, arriveren, belanden, dichterbijkomen, dichterbij komen, dikker worden, dik worden, genaken, iemands taak zijn, komen, komen aanzetten, liggen, naderbij komen, naderen, naken, neerkomen, opdagen, opkomen, staan, terechtkomen, vallen, verdikken, vervallen
Publicidad ▼
Ver también
aankomen (v. trans.)
aankomen (v.)
↘ afhankelijk, afhankelijkheid, bezoeker, gebondenheid, -komer, nood, onzelfstandigheid ≠ aan de lijn doen, afkleden, afnokken, afslanken, afsmelten, aftaaien, afvallen, begeven, diëten, gaan, heengaan, lijnen, moven, nokken, opbreken, opdonderen, opduvelen, opflikkeren, ophoepelen, opkramen, opkrassen, oplazeren, opmieteren, oprotten, oprukken, opsodemieteren, opstappen, optrekken, vermageren, versmelten, verwijderen, wegsmelten, wegwezen
Publicidad ▼
aankomen (v.)
raise (en)[Hyper.]
aankomen (v.)
venir qqpart, se diriger vers un lieu (fr)[Classe...]
arriver à proximité (fr)[Classe]
venir qqpart, se diriger vers un lieu, approcher (fr)[Classe]
halen, komen[Hyper.]
nabijheid, naderen, nadering - approach, approaching (en) - toegankelijk, vriendelijk[Dérivé]
tegen... lopen, tegen de... zijn - aflopen op, avanceren, doorlopen, doormarcheren, oprukken, toelopen op, voortgaan, voortschrijden, voorttrekken, vooruitgaan, zich voortbewegen[Domaine]
aankomen (v.)
devenir gros (personne) (fr)[Classe]
aankomen (v.)
aankomen (v.)
parvenir à destination (fr)[Classe]
arriver de déplacement, de voyage (fr)[Classe]
pouvoir atteindre (un lieu) (fr)[ClasseHyper.]
aankomst, komst, overkomst - komst - bezoeker, -komer[Dérivé]
krijgen, pakken[Domaine]
aankomen (v. intr.)
devenir gros (personne) (fr)[Classe]
aankomen (v. tr.)
Contenido de sensagent
computado en 0,062s